Historiek

Buurt- en nabijheidsdiensten

De eerste buurt- en nabijheidsdiensten ontstonden in België in de jaren '90. Deze initiatieven werden vaak aangestuurd vanuit lokale besturen of vanuit het opbouwwerk. Ze waren het resultaat van een veranderende demografische, sociaal-economische en culturele situatie en hadden als doel een antwoord te bieden op nieuwe individuele of collectieve behoeften.
Enerzijds vielen er verschillende mensen uit de boot in een erg productieve maar ook in een erg competitieve arbeidsmarkt. Anderzijds waren er een aantal personen, gezinnen en buurten die verstoken bleven van vitale diensten en welzijnsnoden. De jonge buurt- en nabijheidsdiensten boden een oplossing voor deze beide behoeften.

De overheid toonde voor het eerst echt aandacht voor de buurt- en nabijheidsdiensten onder de eerste paars-groene federale en Vlaamse regering. In de beleidsnota 2000-2004 van Renaat Landuyt (toen Vlaams minister van Werkgelegenheid en Toerisme) werden de buurt- en nabijheidsdiensten voor de eerste keer genoemd als pijler van de sociale economie, naast de sociale inschakelingseconomie en het maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Op federaal vlak werden de verschillende beleidsnota's van de gewesten en de Duitstalige gemeenschap omtrent sociale economie vergeleken. Het resultaat hiervan was een samenwerkingsakkoord ‘sociale economie', met als onderdeel de buurt- en nabijheidsdiensten, dat werd ondertekend op 4 juli 2000.

Actieplannen centrumsteden: 2001-2007

In februari 2001 werd in het kader van de nieuwe diensteneconomie een pilootproject opgestart in de 13 Vlaamse centrumsteden. Aan deze 13 centrumsteden werd gevraagd een actieplan 'diensteneconomie' op te stellen. In zo'n actieplan engageert de stad zich o.a. om een regisseursfunctie op te nemen en projecten te financieren voor tewerkstelling in het kader van de nabijheidsdiensten. In 2002 gingen deze lokale actieplannen concreet van start. Vanaf 2002 werden zo middelen voorzien voor bijkomend personeel om de verdere uitbouw van de lokale dienstenwerkgelegenheid in de centrumsteden te realiseren. Eind 2004 liep het experiment Actieplannen Centrumsteden af dat hierin een voortrekkersrol moest hebben. Omwille van de aangetoonde meerwaarde werd beslist om ook deze projecten te verlengen. Aan de 11 deelnemende steden werd gevraagd om een nieuw actieplan voor 2005 in te dienen. De actieplannen van de centrumsteden werden verlengd voor de periode 2005-2007 met ruimte voor zowel de continuering van bestaande projecten als voor de opstart van nieuwe initiatieven. In 2008 konden deze projecten voor een periode van vier jaar een erkenning aanvragen via het decreet lokale diensteneconomie.

Experimentenfonds Buurt- en Nabijheidsdiensten: 2001-2004 

In 2001 werd een ‘Experimentenfonds Buurt- en Nabijheidsdiensten' in het leven geroepen om projecten, ook los van de centrumsteden, te subsidiëren met middelen van de federale, de Vlaamse, de Waalse en de Duitstalige regeringen. De Koning Boudewijnstichting beheerde dit Experimentenfonds. Het experimentenfonds werd opgericht om een impuls te geven aan de buurt-en nabijheidsdiensten (BND's) in België. De ondersteuning moest het potentieel van de BND's aantonen op het vlak van tewerkstelling en sociale cohesie. Tegelijkertijd zou er worden nagegaan welke voorwaarden noodzakelijk zijn om in België BND's op een duurzame manier uit te bouwen. Daarom kreeg de Stichting de opdracht beleidsaanbevelingen op te stellen op basis van de ervaringen van de erkende projecten.
Verder werd in Vlaanderen ook een Experimentenfonds opgericht voor Nabijheidsdiensten in het Toerisme.

In oktober 2001 organiseerde het Experimentenfonds van de Koning Boudewijnstichting een eerste projectoproep. Het Fonds moest proefprojecten en haalbaarheidsstudies financieren die beantwoordden aan vier criteria:

  • creatie van werkgelegenheid voor kansengroepen;
  • participatie van werknemers en klanten;
  • de toegankelijkheid van de dienst;
  • samenwerking met lokale partners.

Het Experimentenfonds leidde tot de selectie van 103 initiatieven voor heel België. Elk van deze projecten kon rekenen op een financiering voor de periode van november 2001 tot oktober 2002.  

In november 2002 kregen deze geselecteerde initiatieven de mogelijkheid om hun project nogmaals te verlengen voor een periode van twaalf maanden (m.a.w. tot oktober 2003). Uiteindelijk ontvingen 77 van de 103 projecten een verlenging. Voor Vlaanderen betekende dit een 35-tal projecten, waarvan er al 12 bestonden voor het Experimentenfonds van start ging.

Om ervaringsuitwisseling tussen projecten mogelijk te maken en met het oog op professionalisering en de opvolging op langere termijn organiseerde de Koning Boudewijnstichting twee trefdagen (april-juni 2002) voor projectpromotoren. Aansluitend daarop organiseerde de Stichting tussen januari en april 2003 rondetafelbijeenkomsten. Er werden antwoorden gezocht op volgende vragen: ‘Wat zijn BND's?', ‘Welk beleidskader kan hen duurzaam ondersteunen?', ‘Vanwaar moeten de financiële middelen komen?' en ‘Hoe kunnen de projecten zich het beste structureren met het oog op hun belangenverdediging?' Als antwoord op de derde vraag werd de Nederlandstalige "Koepel van Buurt- en Nabijheidsdiensten" opgericht en zijn Franstalige tegenhanger "La Fédération des Services de Proximité à Finalité Sociale".

In afwachting van een structurele erkenning werd de federale financiering verdergezet door de Vlaamse oveheid via het "Projectenfonds buurt- en nabijheidsdiensten" tot de inwerking treding van het decreet Lokale Diensteneconomie in 2008. Op Brussels niveau kwam er een kader voor de BND's via de PIOW's (Plaatselijke Initiatieven voor de Werkgelegenheid) en langs Waalse zijde via de IDESS.
 

Actieplannen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid: 2006-2007

Begin 2006 ging in 13 steden en gemeenten een actieplan ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid van Vlaams Minister van Werk, Frank Vandenbroucke en Vlaams Minister van Sociale Eocnomie, Kathleen Van Brempt, van start. In het kader van dit plan werden 200 voltijdse jobs gecreëerd in buurt- en nabijheidsdiensten (bestaande én nieuwe projecten).

Van buurt- en nabijheidsdiensten naar initiatieven lokale diensteneconomie

Het Vlaams Regeerakkoord van 2004 engageerde zich voor de verdere uitbouw en structurele verankering van buurt- en nabijheidsdiensten. De lokale diensteneconomie zou als derde pijler binnen het sociale economie landschap fungeren. Het Vlaams Parlement keurde eind 2006 het decreet voor lokale diensteneconomie goed. Dit decreet creëert een volwaardig statuut en een structurele financiering voor de buurt- en nabijheidsdiensten die voordien erkend waren als experimentele projecten. Vanuit dit decreet en door middel van een model van klaverbladfinanciering kunnen bestaande en nieuwe initiatieven van lokale diensteneconomie zich ontwikkelen. Een belangrijke vaststelling is dat het decreet voor lokale diensteneconomie gebaseerd is op de drie  basispijlers waarop buurt- en nabijheidsdiensten zich ontwikkelden. Op 5 oktober 2007 werd het uitvoeringsbesluit houdende de lokale diensteneconomie definitief goedgekeurd. Op 1 janauri 2008 trad het decreet lokale diensteneconomie in werking.

Het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie startte in oktober 2007 de procedure tot erkenning in het kader van het decreet lokale diensteneconomie op. De lopende projecten uit de actieplannen centrumsteden, de actieplannen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid en het projectenfonds buurt- en nabijheidsdiensten konden intekenen op de gesloten oproep door een aanvraag tot erkenning in te dienen.

Later volgden nog nieuwe oproepen lokale diensteneconomie waarbij een erkenning kon worden aangevraagd voor nieuwe projecten lokale diensteneconomie (of een uitbreiding van reeds bestaande initiatieven). Bovendien werden er thematische oproepen (kinderopvang, aanvullende thuiszorg, buurtsport, sociale huisvesting,...) gelanceerd door de Minister van Sociale Economie samen met een andere bevoegde minister in het kader van de klaverbladfinanciering.

 

BijlageGrootte
Evaluatie_Buurtdiensten-KBS257.23 KB
Beleidsaanbevelingen oktober 2003-KBS117.26 KB